Weer een leuk stukkie.
Ik denk dat je columns bent gaan schrijven als ontspanning voor het zwarestudenten werk dat doorgaans je pad doorkruist. Zo heeft iedereen zijn eigen vorm van ontspanning, gelukkig maar anders was het hier een saaie boel geweest op aarde.
he ik ben de eerste die reageert :P :D
Kantinedienst
Mijn achtste column voor de BVA. Nog steeds onder een pseudoniem, maar steeds meer mensen binnen de club hadden ondertussen door dat ik het was.
Dat is het eerste gespreksonderwerp dat mij nu, zittend in een halfvolle trein van hartelijk Rotterdam richting huiselijk Almere, een avondje badminton tegemoet reizend, te binnen schiet. Eigenlijk is bardienst een betere verwoording, maar ik probeer natuurlijk consequent te blijven wat betreft de titels; een detail dat de doorgewinterde lezer, die op dit moment waarschijnlijk ingesneeuwd is, allang opgevallen was.
Een avondje zelf bardraaien komt eens in de vier weken voor en op dat moment sta ik wat anderen betreft stilletjes achter de bar biertjes te tappen, flesjes te ontdoen van hun dop en zwart en doorzichtig water uit een automaat te persen. Zo makkelijk als ik nu mijn kantje volschrijf, zo moeilijk heb ik het op dat moment met het voeren van een zinnig of zelfs zinloos gesprek met willekeurige barhangers, mensen die ik amper ken. Misschien ligt het wel aan het feit dat ik achter de bar sta en er niet aan zit. Meestal lukt een redevoering aan de andere kant wel redelijk, maar dat kan liggen aan het feit dat je dan je gesprekspartners min of meer zelf uitkiest en alleen gaat zitten bij mensen aan wie je echt iets te vertellen hebt of die je interesseren. Of misschien merk je niet dat een gesprek niet loopt, omdat je wegloopt als het afgelopen is. Tijdens een bardienst doe je dit laatste, als het communicatief even niet lukt, natuurlijk niet.
Hoe dan ook; ik heb zelf gekozen voor het tappende vrijwilligerswerk en eigenlijk vind ik het wel leuk. Net zoals ik toegezegd heb deze column eens in de maand te schrijven. Iets dat me iedere keer weer van mijn belangrijke studentenwerk houdt, maar dat me tijdens de bezigheid en ook achteraf telkens weer goed stemt. Het is een vreemd iets. Waarom doen mensen soms toch dingen waar ze niet goed in zijn of waar ze geen tijd voor hebben? Is het de drang naar het oneindige leren? Of is dat alleen een raar iets bij mij? Ik zou niet weten wat ik zonder deze houvasten in het leven moet. Het enige zekere is nou eenmaal dat je nooit uitgeleerd bent. En natuurlijk dat niets zeker is.
Wat ook zeker nooit zeker is, is het tijdstip dat je op een doordeweekse speelavond de kantine verlaat. In de kantineregels van 12 februari staat immers niets over de sluitingstijd. Wel een heel stuk over het verbod op het zelf meenemen van etens- en drinkwaren, wat voor volgend jaar betekent dat er, in ieder geval door mij, geen exotische chips meer genuttigd zullen worden na een competitiewedstrijd en dat de frituurpan dan maar overuren zal moeten maken, maar dat even terzijde. Nee, het tijdstip van de laatste ronde ligt maar net aan de persoon achter de bar en het gezellige inlevingsvermogen van diegene.
Voorzover ik het kan beoordelen heb ik dat vermogen wel. Ik benut het alleen nooit voluit, wat vaak leidt tot aantijgingen als "goh, wat ben jij ongezellig". Een antwoord dat daarop meestal in mijn hoofd rondcirkelt, is "goh, wat ben jij onwetend", maar uit angst voor het vertonen van arrogantie en het ontlokken van onbegrip laat ik die gedachte meestal voor wat het is; een stukje confrontatie waar de wereld niet op voorbereid is. Een brede glimlach en een vol glas schuimend bier doen op zo'n moment beter dienst als wondermiddel. Een middel dat als enig doel heeft de gezelligheid in de kantine te handhaven. En wie ben ik om daar een stokje voor te willen steken?
Tot aan of achter de bar!
K.